'Een fontein van levend water'

Lied voor de dienst 26 maart

Is dat, is dat mijn Koning (OTH 116)

Is dat, is dat mijn Koning,
Dat aller vaad’ren wens.
Is dat, is dat Zijn Kroning?
Zie, zie, aanschouw de mens!
Moet Hij dat spotkleed dragen,
Dat riet, die doornenkroon,
Lijdt Hij die smaad, die slagen,
Hij, God, Uw eigen Zoon?

Ja, ik kost Hem die slagen,
Die smarten en die hoon; ik doe dat kleed Hem dragen,
Dat riet, die doornenkroon;
Ik sloeg Hem al die wonden,
Voor mij moet Hij daar staan;
Ik deed door mijne zonden,
Hem al die jamm’ren aan.

O Jezus, man van smarten,
Gij aller vaad’ren wens,
Herinner aller harten
’t aandoenlijk; zie de mens!’
Laat mij toch nooit vergeten
Die kroon, dat kleed, dat riet!
Dit trooste mijn geweten:
’t is al voor mij geschied!

Ik wil zingen van mijn Heiland (OTH 115)

Ik wil zingen van mijn Heiland,
Van zijn liefde, wondergroot,
Die zichzelve gaf aan ’t kruishout,
En mij redde van de dood.

refrein:
Zing, o zing van mijn Verlosser
Met zijn bloed kocht Hij ook mij,
Aan het kruis schonk Hij genade,
Droeg mijn schuld en ik was vrij.

‘k Wil het wonder gaan verhalen,
Hoe Hij op zich nam mijn straf;
Hoe in liefde en genade
Hij ’t rantsoen gewillig gaf

(refrein)

Ik wil zingen van mijn Heiland,
Hoe Hij smarten leed en pijn,Om mij ’t leven weer te geven,
Eeuwig eens bij Hem te zijn.

(refrein)